Woorden

Het Parool

28 augustus 2014

 

 Erik Voermans

AMSTERDAM

 

De Cello Biënnale Amsterdam viert vanaf 16 oktober tien tjokvolle dagen lang zijn eerste lustrum. Anner Bijlsma (80) legt uit wat er zo mooi is aan de cello. En waarom een echte meester niet zweet. 

Bijlsma interviewen is een feest en een voorrecht. Het lopen mag dan tegenwoordig wat moeilijker gaan, de geest is nog steeds flitsend snel en de gedachten zijn altijd onorthodox, prikkelend en niet zelden zeer geestig.

De verslaggever wordt in huize Bijlsma onthaald met muziek van Anton Reicha, een tijdgenoot van Mozart en Beethoven, maar veel minder bekend. Bijlsma, die met onmiskenbaar genoegen naar de eigen opname heeft geluisterd: “Je had net Haydn, Beethoven en Mozart gehad, dus wat moet je dan nog componeren? Dat was voor Weber, Danzi, Onslow, Spohr en dus ook Reicha, om er een paar te noemen, een serieuze vraag. Zo niet probleem.”

Zou Anner Bijlsma, als hij opnieuw geboren zou worden, opnieuw voor de cello kiezen?
“Ik weet het niet. Het mooiste antwoord op deze vraag is ooit gegeven door Brian Pollard, de fantastische fagottist. Ik was 26 en ik wilde ophouden met cellospelen. Ik was weliswaar succesvol en had net het Casals Concours gewonnen, maar ik zag m’n toekomst niet voor me. Moest ik dan m’n hele leven op dat zwarte plankje heen en weer hollen? Ik vond dat ik een echt vak moest kiezen, maar ja, ik had niet eens gymnasium. Toen zei Brian Pollard: ‘Het geeft niet wat je doet. Als je het maar goed doet.’ Dat was toen zó’n zinvol antwoord!”

Is de cello een zwaar instrument? Moet je hard werken om ergens te komen?
“Het is zoals met elk meesterschap: wenn man schwitzt, kann man’s nicht. Dat is zeker waar. Beroemde Duitse uitspraak. Mooie benadering, vind ik. Iemand die vindt dat hij moet zweten, heeft het te veel over zichzelf.”

Speelt de jonge cellist van nu beter dan die van vroeger, dan Casals? 
“Ja en nee. Het cellospelen is enorm veranderd. Voor de Tweede Wereldoorlog hadden cellisten een prachtige toon. Ik denk aan Loewensohn, de solocellist in het Concertgebouworkest. Hij speelde bovenop de kam, waar de toon heel moeilijk aanspreekt. Als een dompteur moest je het instrument onder je houden. Moeilijk vol te houden, want die cello glijdt onder je fikken weg en dan heb je niks meer.”
“Ik herinner me een plaat van hem, Ouvertüre Dichter und Bauer, onder Mengelberg natuurlijk. (Zingt het thema voor.) Práchtig. Ongelooflijke intensiteit. Maar wat die mensen minder goed konden, was snelle loopjes spelen. Want die cello was weerbarstig. Het celloconcert van Haydn en de Rococovariaties van Tsjaikovski vonden ze daarom onspeelbare stukken. Nu kan iedereen ze spelen, drie keer achter elkaar desnoods, maar die tóón hebben ze niet meer. De benadering is veranderd. Feuermann was vroeger de grootste virtuoos. Groter dan Casals. Feuermann kon alles spelen. Maar nu spelen ze allemáál zo. En niemand meer als Casals.”
“Er zit overigens een zwak punt aan uw vraag. Want als ze vroeger nog niet zo goed konden spelen, waarom componeerden ze dan wél fantastisch? Of konden ze zo enorm geweldig schilderen?”
Het gaat bij de cellisten van nu meer dan vroeger om het ego, stelt Bijlsma. “Daarom spelen ze ook zo graag uit het hoofd. Dan lijkt het alsof ze de muziek zelf hebben gecomponeerd. Uit het hoofd dirigeren is in die ontwikkeling het toppunt. Want een dirigent doet helemaal niks, natuurlijk.”
“Toen ik het Casals Concours won, heb ik met de grote meester op de bank gezeten. Hij kon me meteen al niet uitstaan, dat was leuk. Een duidelijke antipathie. Hij vond ook dat ik die prijs niet had moeten winnen. Maar daar gaat het nu niet om. Wat ik groot vond aan Casals, is dat hij iets kon wat maar heel weinig mensen kunnen. Hij kon één noot, of een klein loopje zó spelen dat het je leven lang nooit meer uit je kop ging. Dat kun je niet leren.”

Niet zo zuinig!

“Het algemene gevoelen over muziek is veranderd. Dat heeft met het rationalisme te maken. Als je een stuk van Bach speelt, moet je niet over je eigen gevoelens gaan zitten lullen. Als je Bach speelt, ben je een dominee. Je staat op de kansel, in een kleine kerk, waar je iedereen kent en van iedereen houdt. Daar zit Jan, met z’n doodzieke vrouw. Daar zit Piet, met z’n twee lastige kinderen. De dominee spreekt ook altijd in de wij-vorm. Als Bach begint met een lange noot, dan zegt hij: ‘Luister eens, wij mensen, wij ….’ Wat hij níet zegt is: ‘Ik heb zo’n pijn aan m’n been.’ Of ‘Ik heb zo’n ruzie met m’n vrouw gehad.’ Nee, de muziek gaat over óns en niet over jóuw bezoek aan de psychiater.”
“Dat soort verhalen zijn heel vervelend, want het zijn altijd dezelfde. Grote kunst gaat over ons allemaal. Daarin zie ik een heel grote zwenking in de beleving van muziek en in de uitvoeringspraktijk. De ik-figuur is steeds belangrijker geworden. Het gaat om solisten tegenwoordig. Of dirigenten – nog erger.”

U krijgt op de Cello Biënnale een oeuvreprijs. 50.000 euro, te besteden aan educatieve projecten.
“Ik heb er heel leuke ideeën over. Ik wil er opdrachten voor geven. Wat me meteen te binnen schiet zijn die vier stukjes van Bernd Alois Zimmermann, etudes. Ik heb er altijd eindeloos op gestudeerd, omdat het goed was voor je techniek. Daar zou een vervolg op kunnen komen.”

Om de kunst van het cellospelen verder te brengen?
“Niet zo zuinig! Om de ménsheid verder te brengen!”

Wat is er eigenlijk zo mooi aan de cello?
“Wat vindt u zelf?”

De cello is het instrument dat het dichtst bij de menselijke stem staat en daarom zo diep kan ontroeren. Zoiets.
“Dat is een algemeen gevoelde gedachte. Dus dan is het waar. Maar ík vind dat die cello vaak te veel als een zingend instrument wordt gezien. Veel belangrijk dan zingen is: spreken. Zingen is zo veel mogelijk uit de klinkers halen, waardoor de medeklinkers het nakijken hebben. Ik vind geloei wel zo’n beetje het alleroninteressantste. En op cello’s wordt ook wel eens geloeid, terwijl je er zo mooi op kunt spreken. Ik vind dat men bij de Bachsuites tegenwoordig te veel zingt.”
Hij geeft een voorbeeld. Reciteert een versje van Hieronymus van Alphen. ‘Cornelis had een glas gebroken.’ “Je kunt hier niet zeggen dat alle acht noten hetzelfde zijn.”

Ik tel er negen.
“Ah, ja, maar de Cor is de opmaat. Het gaat om de retoriek. Als je die acht noten allemaal hetzelfde speelt, is het niet mooi. Toch hoor je mensen nu te vaak zo spelen.”

En wie kan tegenwoordig in de ogen, of oren, van Anner Bijlsma het mooist spreken op de cello? 
“Een hele Biënnale vol! Ik denk maar even aan de Fransman Pidoux, die stukken met accordeon gaat spelen. Schitterend!”

Cello Biënnale Amsterdam, van 16 t/m 25 oktober in het Muziekgebouw aan ‘t IJ en het Bimhuis.

 

©Het Parool